††††† -Best New Games

††††† -Gewichtige lichamen: lichaamsbeleving en eetstoornissen

††††† -Waargenomen competentie, verschilscores en globale zelfwaardering

††††† -School is fun at recess : informal analyses of written language for students with learning disabilities

††††† -Toward an understanding of developmental coordination disorder

††††† -Discourse complexity of college writers with and without disabilities

††††† -Construct validity of the test of gross motor development : a cross-validation approach

††††† -Writing and reading: connections between language by hand and language by eye

††††† -Ouder-kindinteracties in gezinnen met een kind met adhd.

††††† -Sport- und bewegungstherapie mit depressiven patienten

 

 

BEST NEW GAMES†††††††††††
Le Fevre D.N. (2002). Human Kinetics: Champaign.ISBN: 0-7360-3685-7, 217 pp.

 


New games zijn reeds langer in onze contreien bekend. Dit boek is samengesteld door niemand minder dan de directeur van New games International.

 

Het boek zelf is opgedeeld in zeven hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt de achtergrond van de New Games geschetst, hoe ze dienen aangebracht te worden, hoe we ze kunnen aanpassen en hoe we nieuwe spelen kunnen creŽren.

 

In hoofdstuk twee worden zevenenzeventig verschillende spelen en zeven oefeningen op vertrouwen onder verschillende hoofdingen geplaatst en wordt een overzicht geboden om zo het gepaste spel voor de gepaste situatie te vinden. De gebruikte hoofdingen zijn: het activiteitniveau van het spel, wanneer het spel te kiezen (bij aanvang, midden, einde van een sessie), het minimum en maximum aantal spelers, benodigd materiaal of ruimte, speciale sociale doelstellingen van het spel, benodigde vaardigheden of vaardigheden die via dit spel ontwikkeld kunnen worden (samenwerking, probleem oplossend gedrag,...reactiesnelheid, kruipen,...), spelen die het curriculum ondersteunen (geheugen, taal, ..., wiskunde,...) en tenslotte spelen waarbij gebruik gemaakt wordt van liedjes. Dit alles wordt in een Ďgame finderí met opgave van de bladzijden waar het spel beschreven wordt, alfabetisch weergegeven.

 

In de volgende vier hoofdstukken kiest Dale Le Fevre er voor om de spelen te groeperen volgens activiteitniveau en in een laatste hoofdstuk plaatst hij dan de oefeningen op vertrouwen. Elk van de spelen wordt op een systematische wijze besproken. Eerst wordt het aantal spelers aangegeven, vervolgens wanneer het spel best gebruikt wordt, en dan volgt een spelbeschrijving. Veiligheidsinstructies, geschikte leeftijd, benodigd materiaal, benodigde ruimte en tenslotte een opsomming van de ontwikkelingsvaardigheden ronden het geheel af. Om dit alles te visualiseren maakt hij uitgebreid gebruik van overzichtelijke zwart-wit fotoís.

 

Sommige van de geciteerde spelen zijn niet onbekend, maar het kan verhelderend zijn, te zien welke variaties er van bestaan en of welke ontwikkelingsvaardigheden er mee kunnen bereikt worden. Het kan de practicus nieuwe ideeŽn en een nieuw elan geven in het werken met een groep. Opmerkelijk is dat op het einde van het boek gealludeerd wordt op reeds bestaande CD-roms, videos en boeken van de auteur maar dat er geen referenties en of bibliografie in verband met de spelen gegeven worden.

 

Een interessant boek, niet om van A tot Z ineens uit te lezen maar om op regelmatige tijdstippen in te grasduinen en of te raadplegen. Voor elkeen die met groepen werkt, of het nu in de vrije tijd sector, het onderwijs of de therapeutische sector is, een absolute must voor op zijn boekenplank te hebben.

 

Johan SIMONS


 

 

GEWICHTIGE LICHAMEN: LICHAAMSBELEVING EN EETSTOORNISSEN††††
Rekkers, M & Schoenmaker, E. (Red). 2002. Acco: Leuven/Leusden.ISBN 90-334-4913-7, 244 pp.+ CD-Rom.

 


Na een theoretische beschrijving van de eetstoornissen en de rol van de lichaamsbeleving hierbij, gaat de redactie van dit boek over naar een kort hoofdstuk in verband met de het gebruik van modules in de therapie. De volgende drie hoofdstukken bevatten dan voorbeelden van dergelijke modules. In hoofdstuk 4 zijn dit modules gericht op de behandeling van de lichaamsbeleving. In hoofdstuk 5 ligt de klemtoon op de behandeling van een bepaalde doelgroep bv. anorexia nervosa, patiŽnten met ernstig ondergewicht, patiŽnten met vreetbuien, patiŽnten met een ernstig overgewicht.

Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de aandachtgericht op de prventie van een verstoorde lichaamsbeleving bij kinderen in de prepuberteit. De praktische uitwerking van deze modules wordt in bijlage 1 (ongeveer 20 blz) toegevoegd. In bijlage 2 worden concrete voorbeelden van gebruikte vragenlijsten eninterviewlijsten afgedrukt (ongeveer 30 blz). Het geheel wordt aangevuld met een verklarende woordenlijst waarin gehanteerde begrippen worden toegelicht. Tenslotte wordt in de de CD-Rom uitgelegd hoe de video-confrontatiemethode dient te gebeuren.

 

Het boek richt zich tot iedereen die begaan is met de behandeling van de gestoorde lichaamsbeleving bij patiŽnten met eetstoornissen. Naast de theoretische achtergrond van de verschillende benaderingen, die interessant is voor alle hulpverleners, wordt in een groot deel van het boek aandacht geschonken aan interventies zoals die in de psychomotorische therapie plaats hebben.

 

Een mooi verzorgd en vlot geschreven werk waarin de huidige stand van kennis in verband met lichaamsbeleving en eetstoornissen op een systematische wijze gepresenteerd wordt. In grote lijnen schrijven de twee redacteurs het ganse boek, slechts voor twee bijdragen doen ze een beroep op andere deskundigen.

 

Zeker positief is ook het grote aantal bronvermeldingen in dit boek. Na elk hoofdstuk wordt de specifieke literatuur aangehaald en het werk rond af met aanbevolen literatuur.

 

Dat in dit werk een aantal modules voorgesteld worden, dient ons niet te verwonderen en sluit aan de bij de in Nederland en stilaan ook in Vlaanderen tendens om dit soort kant en klare therapiepakketten voor te stellen. Deskundigen kunnen hierdoor terugvallen op bestaande know-how, maar de verleiding is groot om deze modules zonder meer te transponeren op de eigen patiŽntenpopulatie, zonder zich daarbij nog vragen te stellen of de eigen populatie wel overeenkomt met die waarvoor dit programma ontwikkeld werd. Het voorstellen van een module is ťťn, maar nog belangrijker is het aantonen dat deze of gene module werkt. Met andere woorden het effect ervan aantonen en dit is net het stuk waar het in dit boek niet over gaat.

 

Voor een aantal weergegeven vragenlijsten en interviewlijsten, waarbij telkens wel een bronvermelding staat, geldt dat de auteurs niets zeggen over de betrouwbaarheid en de validiteit van deze methoden. Bovendien worden een aantal instrumenten vermeld, die hier in Vlaanderen reeds lang naar het antiquariaat verhuisd zijn. Tenslotte nog een kleine praktisch bedenking, die vermoedelijk aan mijn toestellen ligt of aan mijn exemplaar, maar het geluid op de CD-Rom klinkt zeer zwakjes en is haast onverstaanbaar.

 

Johan SIMONS


 

 
WAARGENOMEN COMPETENTIE, VERSCHILSCORES EN GLOBALE ZELFWAARDERING
Rose, E. & Larkin, D. (2002). Perceived competence, discrepancy scores, and global self-worth. Adapted Physical Activity Quarterly, 19, 127-140.
 

Volgens Harter (1985) zijn waarnemingen van schoolse competentie, gedragshouding, aanvaarding in de groep, fysiek voorkomen en atletische competentie specifieke domeinen die verband houden met de globale zelfwaardering van schoolgaande kinderen.

 

De competentie-motivatietheorie van Harter (1978, 1981) heeft onderzoekers een kader gegeven waarin ze de psychosociale aspecten kunnen bestuderen van kinderen die moeilijkheden ondervinden in het motorische domein.Studies laten zien dat kinderen met een laag motorisch competentieniveau eveneens lage waarnemingen van hun atletische competentie hebben en dat een laag motorisch competentieniveau daarnaast ook van invloed is op andere domeinen van de zelfwaardering en de globale zelfwaardering.

 

Volgens Harter zullen enkel die domeinen waaraan belang gehecht wordt de globale zelfwaardering beÔnvloeden. Harter gebruikt verschilscores gebaseerd op het verschil tussen de waargenomen competentie en het belang dat gehecht wordt aan een domein (belangscores) om zicht te krijgen op het effect hiervan op de zelfwaardering. Er zijn echter tegenstrijdige ideeŽn over het gebruik van deze belangscores in het voorspellen van de globale zelfwaardering.In deze studie wordt geprobeerd de onderliggende processen aangaande de vorming van de globale zelfwaardering van kinderen tussen de 8 en 12 jaar met hoge en lage niveaus van motorische coŲrdinatie beter te begrijpen. Hiervoor werd er gekeken naar de verschillen tussen beide groepen met betrekking tot belangscores en verschilscores. De hypothese is dat kinderen met een lage score voor motorische coŲrdinatie het belang van sport onderwaarderen om hun globale zelfwaardering te beschermen.

 

Daarnaast werd het verband onderzocht tussen globale zelfwaardering en verschilscores voor beide groepen. Een aantal modellen werd eveneens gebruikt om na te gaan wat de beste voorspeller van globale zelfwaardering zou zijn, waarnemingen van competentie, belangscores of verschilscores.

 

Aan deze studie namen 130 kinderen deel van 8 tot 12 jaar. De kinderen werden verdeeld in een groep met een hoge score voor motorische coŲrdinatie (n = 62, 30 jongens en 32 meisjes) een een groep met een lage score voor motorische coŲrdinatie (n = 68, 32 jongens en 36 meisjes). Hiervoor werd gebruik gemaakt van de ĎMcCarron Assessment of Neuromuscular Coordination batteryí (MAND; McCarron, 1982).

 

De andere instrumenten die gebruikt werden waren de ĎSelfĖPerception Profile for Childrení (SPPC; Harter 1985) die de waargenomen competentie meet op 5 domeinen (schoolse competentie, gedragshouding, aanvaarding in de groep, fysiek voorkomen en atletische competentie) met daarnaast een score voor globale zelfwaarderingen de ĎImportance Ratings and Discrepancy Scoresí (IRS; Harter, 1985) die het belang meet dat een kind hecht aan de 5 domeinen van de SPPC.

 

De resultaten lieten zien dat domein specifieke waarnemingen van competentie betere voorspellers waren voor de globale zelfwaardering dan de belangscores en verschilscores. Daarnaast was er geen significant verschil tussen de belangscores van de twee coŲrdinatiegroepen, zelfs niet voor het atletische domein.

 

Opvallend was dat beide groepen gedragshouding en schoolse competentie belangrijker vonden dan de andere drie domeinen met daarnaast een negatieve verschilscore op deze domeinen. Dit duidt mogelijk op een externe invloed van significante anderen op kinderen in deze leeftijdsgroep.

 

Uit deze studie blijkt dat verschilscores geen directe indicators zijn voor het streven van kinderen om hun zelfwaardering te behouden. Om het gevoel van zelfwaarde in stand te houden zijn kinderen geneigd mechanismen te gebruiken op het vlak van fysieke activiteit.

 

Voor de groep met een lage score voor motorische coŲrdinatie werd de globale zelfwaardering voorspeld door waarnemingen met betrekking tot fysiek voorkomen, gedragshouding en aanvaarding in de groep.

 

Voor de groep met een hoge score voor motorische coŲrdinatie werd hier nog het domein van atletische competentie aan toegevoegd. Dit leidt tot de aanname dat motorische competentie een verschil maakt in hoe zelfwaarnemingen relateren aan globale zelfwaardering.

 

Kinderen met coŲrdinatie moeilijkheden lijken hun globale zelfwaardering te behouden door het negeren van de waarnemingen aangaande motorische competentie. Dit kan leiden tot vermijding van fysieke activiteit wat de fysieke en psychosociale ontwikkelingen verder in de weg kan staan. Er ligt een uitdaging in het motiveren van deze kinderen om deel te nemen aan fysieke activiteit ondanks hun atletisch vermogen.

 

Mariek VAN GOOL

 

 

 

SCHOOL IS FUN AT RECESS : INFORMAL ANALYSES OF WRITTEN LANGUAGE FOR STUDENTS WITH LEARNING DISABILITIES†††††††††
Noel Gregg and Nancy Mather, Journal of learning disabilities, volume 35, number 1, january / february 2002, pages 7-22

 


Met dit artikel beogen de auteurs twee niet-gestandaardiseerde evaluatieschalen aan te reiken om de geschreven taal van leerlingen met leerstoornissen te evalueren.

 

Leerlingen met leerstoornissen ontwikkelen vaak een negatieve perceptie van het schrijven en ook van hun eigen capaciteiten om hun ideeŽn schriftelijk uit te drukken. Wanneer ze op school dan vaak geconfronteerd worden met activiteiten waar er schrijven bij te pas komt beÔnvloedt dit hun totaalbeeld van het schoolgebeuren, vandaar ook de titel van dit artikel.

 

Er bestaan reeds gestandaardiseerde instrumenten om schrijfvaardigheden te beoordelen. Deze worden gebruikt voor screening maar ze zijn gelimiteerd, ze meten enkel de prestatie tijdens ťťn steekproef, ťťn opstelling en op ťťn moment.

 

Volgens de auteurs is er nood aan bijkomende informatie om een volledig beeld te kunnen vormen van iemands schrijfvaardigheid.

 

Met hun evaluatieschalen willen de auteurs deze bijkomende informatie verschaffen.Naast de aspecten waarmee een leerling moeilijkheden heeft, wordt er ook nadruk gelegd op de zaken waar hij goed in is.††

 

De Oral Retelling Scale (ORS) en de Writing Evaluation Scale (WES) zijn ontwikkeld om in te praktijk kwalitatieve analyses uit te voeren van het mondelinge en schriftelijke taalvermogen.

 

De WES is een aanpassing van een reeds bestaande schaal, namelijk de Mather-Woodcock Group Writing Test, en de ORS is ontwikkeld als tegenhanger voor de WES.In de WES worden acht componenten geŽvalueerd:handschrift, spelling, interpunctie en hoofdlettergebruik, woordenschat, syntaxis, tekststructuur, gevoel voor publiek en affectieve variabelen.†† Voor elk van deze componenten geven de auteurs een uitgebreid overzicht van alles wat reeds in de literatuur verschenen is.De componenten worden gescoord met de cijfers 0 (zeer zwak) tot en met 4 (zeer goed).

 

Aan de hand van de evaluatieschalen kan men de verschillende factoren herkennen die de schrijfprestatie beÔnvloeden, alsook de verschillende vaardigheden beoordelen die normaal bijdragen tot het schrijfproces.Het gebruik van de evaluatieschalen wordt ook geÔllustreerd aan de hand van een voorbeeld.

 

Als conclusie stellen de auteurs dat het gebruik van de schalen helpt bij het beoordelen van de sterktes en de zwaktes van leerlingen.Hierdoor kan men aangepaste leerdoelen gaan selecteren en zo de schrijfvaardigheid van een leerling verbeteren, waardoor ook de schoolbeleving positiever wordt.

 

Johanna VAN CAMP


 

---------------------------------------------------------------------------------------------------

 


De ontwikkeling van de schrijfcapaciteiten wordt beÔnvloed door een variŽteit aan factoren. Als een persoon hierbij moeilijkheden ondervindt, ontwikkelt hij een negatief zelfbeeld i.v.m. communiceren via schrift en het beÔnvloedt ook de houding van die persoon t.o.v. de school.

 

Vele personen met leerstoornissen kunnen hun ideeŽn niet uiten omwille van spellingsfouten. Men focust zich vaak op wat deze mensen niet kunnen i.p.v. te observeren wat ze wel goed kunnen. Gestandaardiseerde metingen zijn zinvol als screeningsinstrumenten, maar toegevoegde evaluatie is nodig om een goed beeld van de schrijfvaardigheden te verkrijgen.

 

Er is een recente ontwikkeling in de cognitieve wetenschappen die zegt dat er verschillende neuro-anatomische netwerken zijn voor de verschillende doelen en functies.

Beperkingen worden gezien wanneer er foute interacties optreden in deze neurale systemen.

 

Soms is het moeilijk te weten welke factoren leiden tot schrijfontwikkeling. We zouden ons moeten focussen op de barriŤres die het schrijven moeilijk maken i.p.v. op de oorzaken. Enkele voorbeelden van barriŤres zijn: beperkte instructie of gehoorcapaciteiten, cognitieve deficits, beperkte culturele ervaringen, vertraagde neurale of motorische ontwikkeling en zwakke motivatie.Er is reeds vele jaren onderzoek verricht naar de relatie tussen fijne motoriek en handschriftontwikkeling en men besluit dat de fijne motoriek handschriftontwikkeling enkel indirect beÔnvloedt via orthografie. De relatie tussen motorische processen en handschrift betreft ook bewegings- en positiezin. Een persoon met kinesthetische perceptuele deficits gebruikt inversies en vervormingen.

 

We kunnen het handschrift testen op drie niveaus: kopiŽren, dicteren en spontaan schrijven en dit in verschillende situaties. Dit is een voorbeeld van een toegevoegde evaluatie als supplement op gestandaardiseerde metingen.

 

Problemen met spelling interfereren met de kwaliteit van het schrijven. Een simpele manier om alfabetische kennis te testen is het dicteren van niet-woorden. Mensen met leesbeperkingen behalen hierop een lage score. We moeten ook extra aandacht schenken aan woorden met onuitgesproken letters. En zo bestaan er ook verschillende analyses voor vocabularium, zinsbouw, tekststructuur enz.

 

Met de informatie die we halen uit deze analyses kunnen we dan technieken ontwikkelen om al de mensen te helpen in hun spelontwikkeling. Er zijn twee theorieŽn i.v.m. de ontwikkeling van de spelling. De eerste zegt dat een individu doorheen verschillende stadia loopt. De twee theorie beschrijft deze ontwikkeling als een continu proces.

 

Door specifieke aspecten te meten bij personen met problemen kennen we de sterke en zwakke punten van die persoon en kunnen we doelgericht gaan helpen.

 

Veerle DE BRANDT


 

 

TOWARD AN UNDERSTANDING OF DEVELOPMENTAL COORDINATION DISORDER †††
S.E. Henderson and L. Henderson, Adapted physical activity quarterly, 2002, 19, 12-31, 2002 Human Kinetics Publishers, Inc.

 


Dit artikel geeft een overzicht van de ontwikkeling en problemen in terminologie, diagnose en behandeling van DCD; dit is het hebben van onverwachte moeilijkheden in het verwerven van motorische vaardigheden.

 

1)Terminologie

De keuze van de terminologie heeft belangrijke theoretische (mogelijkheid tot het vergelijken van wetenschappelijk onderzoek) en praktische (toegang tot medische hulp) implicaties. Voor dezelfde stoornis werden verschillende benamingen gebruikt, verschillend van land tot land, tussen bepaalde beroepskringen en van patiŽnt tot patiŽnt.Tot men in 1995 op het London Consensus Forum (Ontario) overeenkomt tot het universeel gebruik van DCD. De ĎDí van Ďdevelopmentalí wijst op de longitudinale invloed van de stoornis. De basis van het motorisch gedrag ligt in het rijpingsproces, in interne en externe fysieke invloeden, in vroegere bewe-gingservaringen en in de veranderingen van dat gedrag door huidige omstandigheden.

 

Een Ďdevelopmental disorderí van wat? ICD-10 spreekt over een aandoening van de moto-rische functie, maar hier wordt onvoldoende nadruk gelegd op de oorzaak van het zwak motorisch functioneren, nl. door onvoldoende controle over het motorisch systeem. De DSM-IV spreekt over een aandoening van de motorische coŲrdinatie, dit geeft beter de kern van het probleem weer, zonder te specifiek te zijn over de precieze oorzaak.

 

2) Diagnose

DCD volgt geen duidelijk medisch ziektemodel, wat de diagnose moeilijk maakt. De DSM-IV geeft vier diagnostische richtlijnen voor DCD.

De afwezigheid van duidelijke positieve en negatieve symptomen leidt ertoe dat de diagnose gebaseerd moet worden op normrefererende tests, waarbij het kind met DCD significant onder de cut-off score valt. Een ander probleem is het gebrek aan bewijs dat het geheel van de symptomen van DCD duidelijk af te grenzen is van de symptomen van andere ontwik-kelingsstoornissen. Deze twijfels komen duidelijk tot uiting in de volgende citaten:ďThose with highly specific deficits are the exception rather than the ruleĒ (Hill et al., 1998) en ďCo-morbidity is the rule, rather than the exceptionĒ (Kaplan et al., 1998).

 

3) Behandeling

Het behandelen van de motorische moeilijkheden is niet voldoende. Follow-up studies wijzen op de lange-termijn gevolgen van DCD die vaak onopgelost blijven. Zij rapporteren een laag zelfbeeld, weinig sociale contacten, eenzaamheid, depressie en een academisch niveau van functioneren ver onder het niveau dat we zouden verwachten a.d.h.v. het IQ van het kind.

 

In het behandelen van de motorische vaardigheden is het belangrijk niet enkel taakgeoriŽn-teerd te oefenen (Hoe vaak kan een kind de bal vangen?), maar ook procesgeoriŽnteerd (Hoe vangt een kind de bal?).

 

De meeste interventies hebben een positief effect of zijn, op zijn minst, beter dan geen interventie. Toch zijn vele moeilijkheden gewoonweg niet te verbeteren en zou het beter zijn om nieuwe vaardigheden aan te leren, dan zich te focussen op de gestoorde vaardigheden.

 

Sarah KNOPS


 

 

DISCOURSE COMPLEXITY OF COLLEGE WRITERS WITH AND WITHOUT DISABILITIES††††††††††
Noel Gregg, Chris Coleman, Robert B. Stennett, and Mark Davis,

 


Alvorens er fouten kunnen geÔnterpreteerd en geÔdentificeerd worden bij mensen met ADHD en/of LD moeten we eerst de woordkarakteristieken bestuderen door middel van registers. De corpus-based analysis (CBA) bied ons de technische en de theoretische benodigdheden om de patronen van de taal Ėgenre, stijl,Ö- te bestuderen in registers. Onderzoekers gebruiken de CBA om taalkundige en niet taalkundige patronen in registers te zoeken. Het voorkomen van taalpatronen wordt eerder kwantitatief bepaald door een CBA dan door een functionele basis. Deze voorkomende patronen worden dan statistisch geanalyseerd door factoranalyse om dimensies of groepen van taal te bepalen. Deze dimensies worden dan geÔnterpreteerd in termen van communicatieve functies

 

Groep 1 bestond uit studenten met een leerstoornis, groep 2 uit studenten met ADHD, groep 3 uit studenten met leerstoornissen en ADHD en groep 4 waren studenten met geen gekende stoornis. Elke deelnemer van alle groepen moesten een verklarende schrijfproef doen en kregen hiervoor precies 30 minuten de tijd. Het onderwerp had geen invloed op de taal.Elk papier werd vervolgens onafhankelijk door 2 juryís nagekeken op 4 dimensies: Inhoud/ organisatie, stijl, zinsstructuur en overeenkomst.

Elk papier werd verder verwerkt dmv CBA en andere hulpmiddelen. Tenslotte werden er 67 woordkarakteristieken welke verschillendefuncties in de structuur en het gebruik hadden geÔdentificeerd. Deze 67 groepeerde hij in 16 grote categorieŽn (vb uitspraken en spreekwoorden, vragen, negaties,Ö). Enkel 54 woordkarakteristieken werden geschikt gevonden voor verdere analyse.

 

RESULTATEN

1.  Een verandering tussen de 4 groepen studenten een kwantitatief verschil gaf voor de taalfactoren en een niet kwantitatief verschil op kwalitatief verschillende taalfactoren.

 

2.  De eerste zorg bij dit onderzoek was om een model te ontwikkelen op de algemene populatie (groep 4) dewelke zo dicht mogelijk aanleunde bij de groep welke Biber onderzocht. Daarna werd deze groep als standaard gebruikt om deze populatie te vergelijken met de mensen met de stoornis.

Een 4 factoren model had de hoogste graad van geschiktheid met de data van groep 4. De volgende communicatieve functies werden toegeschreven aan de factoren: tijd, van verwijzing voorziende uitwerking, herleidingen en ontworpen bewerkingen. De 4 factoren waren voor elke groep dezelfde.

 

holistische uitslag: groep 4 had hier een significante hogere kwalitatieve score voor het schrijven in vergelijking met de andere groepen.Zoals Gregg al zei zalde holistische uitslag ons de goede en de slechte schrijvers onderscheiden maar zullen geen onderscheid maken tussen de slechte schrijvers.

 

Woordenrijkheid. Er werd geen significant verschil voor woordenrijkheid gevonden tussen groep 1, 2 en 3. Dit werd echter wel gevonden tussen groep 4 en elke andere groep.

 

Type/token ratio (= TTR) Deze ratio is de verhouding van het aantal verschillende woordvormen of woordtypes op het aantal verschillende woorden of tekens. Geen verschil in TTR werd gevonden tussen groep 1, 2 en3, terwijl er een significant verschil gevonden werd tussen groep 4 en elke andere groep.

 

Sara MARTENS


 

 

CONSTRUCT VALIDITY OF THE TEST OF GROSS MOTOR DEVELOPMENT : A CROSS-VALIDATION APPROACH
Evaggelinou, Tsigilis and Papa, , in Adapted Physical Activity Quarterly , 2002, 19, pp. 483-495

 


Deze studie had als doel de onderliggende structuur van de TGMD te onderzoeken. De TGMD, ontworpen door Ulrich (1985), is een gestandaardiseerde test die wijd en zijd frequent wordt gebruikt voor de beoordeling van de grof motorische ontwikkeling bij kinderen van 3 tot 10 jaar. Deze test meet 12 motorische vaardigheden die frequent aangeleerd of gebruikt worden in de kleuterschool en de eerste jaren van de lagere school.

 

Constructvaliditeit is de vraag of een testscore een meting is van de karakteristiek, het kenmerk waarin men is geÔnteresseerd. De constructvaliditeit van de TGMD was tot op heden nog niet getest aan de hand van bevestigende factoranalyse.

 

Een cross validatie werd toegepast omdat het een belangrijke stap is in het valideren van de TGMD.

 

Cross validatie vereist twee gescheiden steekproeven van dezelfde populatie. De totale steekproef in dit artikel bestond uit 644 schoolkinderen van 3 tot 10 jaar in Griekenland. De proefpersonen werden willekeurig verdeeld in twee subgroepen. De eerste groep bestond uit 324 kinderen, de tweede uit 320 kinderen. Voorafgaand onderzoek toonde aan dat er geen verschil was in leeftijd, bevolkingsgroep en prestatie op de 12 items tussen de twee groepen.

 

Eťn leerkracht lichamelijke opvoeding nam, bij elk kind afzonderlijk, de TGMD af tijdens de lessen lichamelijke opvoeding.

Nadien beoordeelde een tweede leerkracht lichamelijk opvoeding de testscores van een willekeurige steekproef van 90 kinderen. De overeenkomst tussen beiden was .98.

 

Een twee factormodel werd aangenomen en getest. Verder werd de cross validatie van de TGMD onderzocht.

 

Samengevat blijken de resultaten de constructvaliditeit van het vooropgestelde twee factormodel van de TGMD sterk te steunen. Gezien de relatief hoge associatie tussen de twee factoren van de TGMD, werd hun discriminatievaliditeit verder onderzocht. De resultaten hiervan suggereren dat deze houdbaar is.

Uit de resultaten besluit men dat de TGMD een goede cross generaliseerbaarheid vertoont. Bij het gebruik ervan in de klinische of educatieve praktijk mogen de uitvoerders er zekerder van zijn dat ze twee verschillende concepten meten, namelijk motorische vaardigheden en voorwerpcontrole vaardigheden.

 

De steekproef die hier werd gebruikt, bevatte echter kinderen zonder een handicap. Het zou dus waardevol kunnen zijn om deze studie ook eens toe te passen bij kinderen met mentale, sensomotorische en andere handicaps.

 

Tom TAFFEIREN


 

 

WRITING AND READING: CONNECTIONS BETWEEN LANGUAGE BY HAND AND LANGUAGE BY EYE†††
Virginia W.Berninger, Robert D.Abbott, Sylvia P.Abbott, Steve Graham and Todd Richard, Journal of learning disabilities, Volume 35, nr1, jan./febr.2002 p.39-56.

 


We kunnen taal opdelen in 4 taalsystemen: nl horen, spreken, lezen en schrijven. Elk van deze taalsystemen is op een unieke manier opgebouwd, heeft een eigen ontwikkelingsproces en intrageert tijdens deze ontwikkeling met de andere taalsystemen.Men heeft bestudeerd op welke manier het lezen en schrijven met elkaar verbonden zijn. 4 benaderingen worden hier besproken.

 

In een eerste studie wordt de relatie onderzocht tussen lezen en schrijven bij kinderen van graad 1 tot 6 d.m.v.taalopdrachten zoals spellen, opstellen, begrijpend lezen, woordherkenningsoefeningen,ÖSignificante covarianties werden gevonden tussen spelling en woordherkenning, tussen spelling en het vloeiend schrijven van een opstel,tussen begrijpend lezen en de kwaliteit en de vlotheid van opstellen, ÖEr wordt hier bevestigd dat het lezen en schrijven niet los van elkaar staan.

 

Ook in een tweede benadering waar kinderen met schrijf en leesproblemen getest zijn,zien we dat het lezen en schrijven met elkaar intrageren: nl hoge correlaties tussen woordherkenning en spelling en tussen begrijpend lezen en opstellen zowel bij de kinderen als bij hun ouders die ook schrijf en leesmoeilijkheden hebben. Er is een link tussen lezen en schrijven op woordniveau en op tekst niveau.

 

In een derde studie wordt de effectiviteit van alternatieve benaderingswijzen bestudeerd om jongeren met leesmoeilijkheden vlotter te leren lezen. Het blijkt dat via schrijfoefening er hogere resultaten bekomen worden bij deze jongeren op het niveau van lezen(woordherkenning, spellingÖ), verder onderzoek is hier echter nog nodig.

 

In een vierde en laatste benadering worden kinderen met dyslexie getest met magnetische resonantie technieken (fMRS, fMRI) tijdens luisteroefeningen.Men vond bij deze kinderen een hoger subcorticaal lactaatgehalte tijdens het uitvoeren van de oefening en een gebrek aan zuurstoftoename in de insula in vergelijking tot de controlegroep.Deze resonantietechnieken geven ons een goed beeld over de organisatie van ons taalsysteem en de eventueel aanwezige pathologie.

 

Hoewel lezen en schrijven 2 aparte vaardigheden zijn intrageren ze op bepaalde niveaus met elkaar, maar veel moet echter nog geleerd worden.

Verdere studies over lezen en schrijven gecombineerd met genetisch onderzoek en magnetic imaging van de hersenen kunnen in de toekomst een beter beeld scheppen op welke manier het lezen en schrijven met elkaar verbonden zijn.

 

Tom JANS


 

 

OUDER-KINDINTERACTIES IN GEZINNEN MET EEN KIND MET ADHD.††††††
Een overzicht van de voornaamste onderzoeksbevindingen tot op heden.†††††††††
Janssens, K., Andries, C., Ponjaert-Kristoffersen, I.(2002). Tokk, 27, 114-127

 


Dit artikel geeft een overzicht van al de onderzoeken die tot op heden gedaan zijn naar de ouder-kindinteracties in gezinnen met een kind met ADHD.

 

Het eerste deel geeft de belangrijkste observatiegegevens met betrekking tot deze interacties.Hieruit blijkt dat moeders met een kind met ADHD vaker directief en controlerend optreden dan andere moeders.

 

Zij delen tweemaal zoveel bevelen uit en gaan hun kind sneller terechtwijzen, berispen en straffen, waarbij ze dikwijls beroep doen op agressieve disciplineringmethoden. Enerzijds blijken zij minder responsief ten aanzien van hun kind en gaan zij uit eigen beweging minder met hun kind interageren, zelfs na positieve of neutrale interacties uitgaande van het kind. Anderzijds zullen zij hun kind sneller ter hulp komen en aanmoedigen.

 

De kinderen met ADHD gedragen zich globaal negatiever. Zij zijn minder gehoorzaam, sneller afgeleid en slagen er minder goed in de aanwijzingen van hun moeder op te volgen.De kinderen praten meer tijdens het contact met hun moeder en vragen haar dikwijls om hulp.Zelfstandig spelen verloopt bijgevolg moeizaam: zij zijn doorgaans sterk afhankelijk van hun moeder en eisen veel aandacht op .

 

Uit de resultaten over de invloed van leeftijd van het kind komt naar voor dat er een continuÔteit in de interactiepatronen is binnen de gezinnen. De gedragsproblemen en conflictueuze interactiepatronen blijven bestaan in de adolescentie, hoewel er naarmate het kind ouder wordt wel enige verbetering waargenomen wordt.

 

Wat het geslacht van het kind betreft worden er in de moeder-kindinteracties in het geheel weinig significante verschillen teruggevonden. Nochtans lijken jongens wel iets meer sturing en aanmoediging van hun moeder te ontvangen.

 

Dit zou in verband kunnen staan met het feit dat jongens zich minder gehoorzaam gedragen dan meisjes.Over de verschillen in het geslacht van de ouder kan ongeveer hetzelfde gezegd worden.

 

In de omgang met hun hyperactieve kind blijken moeders en vaders globaal weinig verschillen te vertonen, hoewel er in de moeder-kindinteracties meer conflicten voorkomen.Gezien de jongens negatiever en minder gehoorzaam reageren op de richtlijnen van hun moeder.

 

In het tweede deel van het artikel worden de gegevens samengebracht uit de onderzoeken naar de richting van het effect in de ouder-kindinteracties.De resultaten tonen aan dat niet alleen het gedrag van het kind , maar ook het opvoedingsgedrag van de ouder een belangrijke rol spelen in de ouder-kindinteracties.

 

De opvoedingspraktijken van de ouders kunnen het gedrag van het kind meebeÔnvloeden en mogelijk de gedragsproblemen van het hyperactieve kind in de hand werken.Er is een ontegensprekelijk verband, maar daarom nog geen oorzakelijk causaal verband.

 

In een derde deel wordt de invloed van comorbiditeit bij ADHD- kinderen op de ouder-kindinteracties behandeld.De resultaten van de verschillende onderzoeken suggereren dat de voornaamste problemen en conflicten in de interacties in gezinnen met hyperactieve kinderen grotendeels verklaard kunnen worden door de aanwezigheid van comorbide gedragsstoornissen.

 

Deel vier vat tot slot de bevindingen en bedenkingen omtrent de onderzoeksresultaten kritisch samen.

 

Charlotte VAN DEN DRIES


 

 

SPORT- UND BEWEGUNGSTHERAPIE MIT DEPRESSIVEN PATIENTEN ††††††††
Brinkman S. (2001), Praxis der Psychomotorik, 26 (4)

 


Via bewegingstherapie wil men komen tot somatische effecten en psychische veranderingen.Onderzoek heeft aangetoond dat depressieve patiŽnten die antidepressiva nemen en aan sport doen, zich beter voelen.Dit komt door het feit dat antidepressiva zorgt voor stofwisselings-verandering en het doen aan sport leidt tot toename van stoffen in het lichaam waardoor de depressieve symptomen zullen verminderen.

 

Bij depressieve patiŽnten lijken uithoudingstraining, sportprogrammaís en fitnesstraining geschikte methoden om zichzelf beter te voelen.

 

Factoren die voor een verbetering zorgen

Een eerste onderzoek wil het verschil aantonen tussen depressieven die al dan niet een bewegingstherapie gevolgd hebben.De resultaten zijn, de algemene klachten verminderen als men begewingstherapie gevolgd heeft en in verband met de gedachten en de instelling over zichzelf, is er weinig verschil te merken tussen beide groepen.

 

In een tweede onderzoek gaat men de effecten van bewegingstherapie nagaan, bij psychosomatische patiŽnten.

 

De factoren in de therapie die voor een postief effect zorgen zijn: bewustzijn, welbevinden en de zelfverantwoordelijkheid.De vraag die hier gesteld kan worden, is of dit onderzoek ook geldt voor depressieve patiŽnten?

 

De basis van bewegingstherapie

Bewegingstherapie gebruikt het lichaam, de lichamelijke herbelevingsmogelijkheden en de verhoudingsmogelijkheden.De bewegingstherapie wordt vanuit verschillende invalshoeken bekeken.

 

1.  Petzold is een voorstander van de lichaamstherapie (= therapie vertrekkende vanuit het lichaam omdat het lichaam een uiting is van het psychisch beleven).

 

2.  HŲlter ziet de bewegingstherapie als een psychologische en pedagogische methode met als doel, om de bestaande symptomen te verwijderen en de ontwikkeling van de mens te bevorderen.

 

Methode van bewegingstherapie

Het doel is dat de gedachten, synthesen en indrukken van de op voorhand ingewonnen informatie met elkaar verbonden worden.

 

Het thema kan potentieel therapeutisch zijn, waar dat men gaat zorgen dat de symptomen en de problematiek direct aan de patiŽnt gekoppeld worden.Anderzijds kan het gaan om een standaardthema waar dat het thema bepaald wordt door de punten uit de pathologie van de patiŽnt.

 

Men bekomt een therapeutische inhoud als de themaís betrokken worden op de problematiek.Om beweging op zich als therapie te zien, moet men de therapie onderverdelen in:

  functioneel niveau, waar dat men rond de somatische symptomen gaat werken

  betrekkingsniveau, waar men inhouden en themaís in de praktijk gaat omzetten

  metaniveau, waar de individuele beleving zin en betekenis krijgt

 

Bewegingstherapie als psychologische methode

Hier moet er eerst een schets gemaakt worden van het bevrijdingsgevoel.Hieronder verstaan we de kutane stimulatie (liefkozing), propioceptieve stimulatie (vast gehouden worden), ervaring van geliefd te zijn en de agressieve behoefte (zuigen, bijten).

 

Verschillende veranderingen in de persoonlijkheid zouden via therapie bijgestuurd moet worden.Dit bijsturen gaat om het inhalen van verzuimde ontwikkelingsfazen.Hierbij zijn twee belangrijke aspecten nodig:

 

1. Verwenning omzetten naar behoeftebevrediging

Het oervertrouwen ontwikkelt zich als huidcontact en het ritme van het lichaam goed aangeboden zijn.Door dit vertrouwen blijft de zuigeling afhankelijk.En deze afhankelijkheid bepaalt bepaalde themaís voor de bewegingstherapie.

 

2. Externaliseren van agressie

Dit externaliseren toont de weg naar autonomie en de eigen initiatieven.

 

Om zich van de agressie te bevrijden moet men zich afreageren, en dit via beweging.Door positieve bekrachting gaan de negatieve emoties van de meeste patiŽnten verdwijnen of gerelativeerd worden.Via beweging moet de patiŽnt toegang krijgen tot de eigen agressie, om zo tot integratie te komen van de eigen persoonlijkheid.

 

Nina BANCKAERT