INTERPRETATIE VAN EEN BEWEGINGSBEPERKING TIJDENS HET KLINISCH FUNCTIONEEL ONDERZOEK VAN GEWRICHTEN

 

Pierre BISSCHOP

Kinesitherapeut

Docent Belgische Wetenschappelijke Vereniging voor Orthopedische Geneeskunde (Cyriax), B.W.V.O.G.

 


De huidige nomenclatuur laat de kinesitherapeut toe om een klinische evaluatie van de patiŽnt uit te voeren.

Het daaruit volgend bilan brengt een verslag van de subjectieve en objectieve bevindingen.

Een verslag zal des te waardevoller zijn naarmate de objectieve tekens overheersen en duidelijk gerapporteerd kunnen worden.

Een gestandaardiseerd functieonderzoek waarbij gebruik gemaakt wordt van o.a. fysiologische bewegingen is daarvoor het geŽigende medium.

 

Bewegingsbeperking is een veel voorkomende bevinding en kan zich op verschillende manieren manifesteren.

Actieve bewegingen kunnen beperkt zijn zonder dat er een stoornis in de passieve beweeglijkheid te ontdekken valt.

Het probleem bevindt zich in de spier(en) die de actieve beweging tot stand brengt, hetzij intrinsiek (b.v. ruptuur), hetzij extrinsiek (b.v. neurogeen).

We beschouwen dit niet als een echte bewegingsbeperking.

Beperking van ťťn of meerdere actieve bewegingen, maar ook van dezelfde beweging(en) in een passieve uitvoering - een 'echte' beperking - duidt eerder op een articulaire of peri-articulaire stoornis, maar kan ook een extra-articulaire oorzaak hebben.

Indien een duidelijk beperking aanwezig is, zal de onderzoeker geen moeite hebben om deze te herkennen, maar moeilijker wordt het wanneer de beperking miniem is.

Daarom is een zorgvuldige vergelijking met de gezonde zijde en met de als normaal aanvaarde beweeglijkheid van het gewricht belangrijk, alsook de beoordeling van het op dat moment aanwezige eindgevoel.

 

Er zijn verschillende redenen waarom een beweging beperkt kan zijn.

Klinisch onderzoek moet toelaten om de oorzaak van de verminderde beweeglijkheid te achterhalen.

Intelligente interpretatie van een gestandaardiseerd onderzoek houdt in dat men de beperkte beweging(en) beoordeelt in relatie tot de andere passieve bewegingen van het gewricht.

Op die manier is men in staat 'patronen van bewegingsbeperking' te herkennen, eigen aan een bepaalde pathologie of dysfunctie.

 

Achtereenvolgens worden de verschillende patronen besproken: articulair - volledig of partieel, proportioneel of disproportioneel.

De typische patronen duiden op articulaire, intra-articulaire, partieel-articulaire of extra-articulaire problemen, waarvoor een klinisch voorbeeld wordt aangegeven.