ATTENTION – DEFICIT / HYPERACTIVITY DISORDER:

A review of research on movement skill performance and physical fitness.

William J. HARVEY, Greg REID, APAQ, 2003, 20: 1 – 25.

 

De auteurs trachten met deze studie een beknopt overzicht weer te geven van onderzoek dat gedaan werd naar de bewegingsbekwaamheid en de fysieke fitheid van kinderen met ADHD en ze willen ook aanbevelingen doen voor verder onderzoek omtrent dit thema.

 

Deze review is gebaseerd op 49 empirische studies die gepubliceerd werden tussen 1949 en 2002 en wil een antwoord geven op twee hoofdvragen.

Is de bewegingsbekwaamheid van kinderen met ADHD gelijk aan die van hun leeftijds- en geslachtsgenoten zonder stoornis? Vertonen kinderen met ADHD eenzelfde level van fysieke fitheid als hun leeftijds- en geslachtsgenoten zonder stoornis?

 

Om deze 49 studies te vinden, heeft men verschillende zoekstrategieën gehanteerd, o.a. Sportdiscus, Current Contents/all editions, ERIC, Medline, PsychINFO en de footnote chasing benadering, om eventuele gemiste studies op te sporen.

 

De 49 studies die men gebruikt heeft voor deze review werden onderverdeeld in twee categorieën.

Eerst  beschrijft men de studies omtrent motorische processen, waar sensorimotoriek, motorische controle en motorische coördinatie (vooral fijnmotoriek) gezien worden als de ‘beschrijvers van motorische processen’.   De categorie motorische processen wordt slechts kort aangehaald om een algemeen beeld te geven van de bewegingsgedragingen van kinderen met ADHD.

 

Vervolgens bespreekt men de studies over bewegingsperformance, de kwaliteit van de uitgevoerde beweging bij kinderen met ADHD.

Deze studies worden onderverdeeld in 4 subcategorieën, a) de retrospectieve views, waar gebruik gemaakt wordt van leerkracht- en ouderobservaties om de bewegingen van de kinderen met ADHD te beschrijven, b) de lange, beschrijvende studies, met een brede onderzoeksbasis, verschillende ontwikkelingsinvalshoeken, maar waar vaak geen specifieke bewegingsvaardigheden besproken worden, c) skill performance, waar men een onderscheid maakt in 3 clusters (intergroepvergelijking, intragroepvergelijking, effectiviteit van behandeling), waar men voornamelijk gaat kijken naar de locomotorische vaardigheden en object controle, en d) de fysieke fitheid, waarbij men gaat kijken naar gezondheidsgerelateerde zaken, zoals hartslag, zuurstofopname (VO2max), die zouden kunnen beďnvloed worden door bv. medicatie.

 

Uit dit reviewartikel concludeerden beide auteurs het volgende:

Volgens Harvey en Reid bestaat er een enormiteit aan literatuur over ADHD en bestaan er verschillende onderzoekswegen over ADHD en ‘adapted physical activity’, maar is het ongelofelijk moeilijk om een grondige greep te krijgen op de stoornis zelf, daar volgens hen de ‘adapted physical activity’ steeds zal beďnvloed worden door de verscheidenheid die bestaat omtrent de definitie, diagnose, oorzaak, benaming, classificatie en behandeling van ADHD.

 

Volgens de auteurs kan men ook stellen dat vanuit het standpunt van onderzoekers, leerkrachten en ouders kan besloten worden dat kinderen met ADHD problemen hebben met bewegingsperformance, maar dat nog verder onderzoek moet gebeuren naar de oorzaak ervan.

 

Ook kan er gesteld worden dat kinderen met ADHD meer kans hebben op een zwakke fysieke fitheid in vergelijking met hun leeftijdsgenoten. Maar met deze uitspraak moet men echter voorzichtig zijn, verder onderzoek is hierbij zeker aangewezen.

 

Het is volgens de auteurs dus van cruciaal belang om onderzoeksprojecten te ontwikkelen die rekening houden met psychologische, psychiatrische en pedagogische achtergronden.

 

De auteurs hopen met dit artikel een bijdrage te leveren voor verder onderzoek naar ‘adapted physical activity’ voor kinderen met ADHD.

 

Joke LEIJSSEN