DISCOURSE COMPLEXITY OF COLLEGE WRITERS WITH AND WITHOUT DISABILITIES          
Noel Gregg, Chris Coleman, Robert B. Stennett, and Mark Davis,

 

Alvorens er fouten kunnen geïnterpreteerd en geïdentificeerd worden bij mensen met ADHD en/of LD moeten we eerst de woordkarakteristieken bestuderen door middel van registers. De corpus-based analysis (CBA) bied ons de technische en de theoretische benodigdheden om de patronen van de taal –genre, stijl,…- te bestuderen in registers. Onderzoekers gebruiken de CBA om taalkundige en niet taalkundige patronen in registers te zoeken. Het voorkomen van taalpatronen wordt eerder kwantitatief bepaald door een CBA dan door een functionele basis. Deze voorkomende patronen worden dan statistisch geanalyseerd door factoranalyse om dimensies of groepen van taal te bepalen. Deze dimensies worden dan geïnterpreteerd in termen van communicatieve functies

 

Groep 1 bestond uit studenten met een leerstoornis,

groep 2 uit studenten met ADHD,

groep 3 uit studenten met leerstoornissen en ADHD en

groep 4 waren studenten met geen gekende stoornis.

 

Elke deelnemer van alle groepen moesten een verklarende schrijfproef doen en kregen hiervoor precies 30 minuten de tijd. Het onderwerp had geen invloed op de taal. Elk papier werd vervolgens onafhankelijk door 2 jury’s nagekeken op 4 dimensies: Inhoud/ organisatie, stijl, zinsstructuur en overeenkomst. Elk papier werd verder verwerkt dmv CBA en andere hulpmiddelen. Tenslotte werden er 67 woordkarakteristieken welke verschillende  functies in de structuur en het gebruik hadden geïdentificeerd. Deze 67 groepeerde hij in 16 grote categorieën (vb uitspraken en spreekwoorden, vragen, negaties,…). Enkel 54 woordkarakteristieken werden geschikt gevonden voor verdere analyse.

 

RESULTATEN

1.      Een verandering tussen de 4 groepen studenten een kwantitatief verschil gaf voor de taalfactoren en een niet kwantitatief verschil op kwalitatief verschillende taalfactoren.

2.      De eerste zorg bij dit onderzoek was om een model te ontwikkelen op de algemene populatie (groep 4) dewelke zo dicht mogelijk aanleunde bij de groep welke Biber onderzocht. Daarna werd deze groep als standaard gebruikt om deze populatie te vergelijken met de mensen met de stoornis. Een 4 factoren model had de hoogste graad van geschiktheid met de data van groep 4. De volgende communicatieve functies werden toegeschreven aan de factoren: tijd, van verwijzing voorziende uitwerking, herleidingen en ontworpen bewerkingen. De 4 factoren waren voor elke groep dezelfde.

3.      Holistische uitslag: groep 4 had hier een significante hogere kwalitatieve score voor het schrijven in vergelijking met de andere groepen . Zoals Gregg al zei zal  de holistische uitslag ons de goede en de slechte schrijvers onderscheiden maar zullen geen onderscheid maken tussen de slechte schrijvers.

4.      Woordenrijkheid. Er werd geen significant verschil voor woordenrijkheid gevonden tussen groep 1, 2 en 3. Dit werd echter wel gevonden tussen groep 4 en elke andere groep. 

5.      Type/token ratio (= TTR) Deze ratio is de verhouding van het aantal verschillende woordvormen of woordtypes op het aantal verschillende woorden of tekens. Geen verschil in TTR werd gevonden tussen groep 1, 2 en3, terwijl er een significant verschil gevonden werd tussen groep 4 en elke andere groep.

 

Sara MARTENS