VERBAL AND VISUAL INSTRUCTION IN MOTOR SKILL ACQUISITION FOR PERSONS WITH AND WITHOUT DOWN SYNDROME.
Maraj B. K. V., Hillman R., Jeansonne J. J., Ringenbach S. D. (2003).Adapted Physical Activity Quarterly, 2003, 20, 57-69.

 

Tijdens het aanleren van motorische vaardigheden wordt vaak gebruik gemaakt van zowel verbale als visuele instructies, zonder stil te staan bij welk van de twee het meest effectief is. Dit artikel wil daar verder op ingaan, in het bijzonder bij personen met het Down syndroom (DS).

Het is gekend dat personen met het DS minder goed presteren bij verbale dan bij visuele instructies. Een eerste mogelijke oorzaak daarvoor is dat deze personen een slecht verbaal korte termijn geheugen zouden hebben. Op neuropsychologisch vlak geeft men als oorzaak het model van de cerebrale specialisatie aan. Personen met het DS zouden een atypische rechter hemisferische specialisatie hebben voor de perceptie van taal. Als we weten dat de organisatie van bewegingen in de linkerhemisfeer gebeurt, dan zien we een functionele dissociatie tussen de twee hemisferen wanneer verbaal een instructie wordt gegeven om een beweging uit te voeren, wat het extra moeilijk maakt.

De meeste studies de manier van instructies geven meten echter de motorische prestatie op zich en niet het motorisch leren (het verwerven, behouden en generaliseren van een bewegingspatroon). Dit laatste geeft ons nochtans de meeste informatie over de effectiviteit van een bepaalde instructievorm. Zo weet men dat bij het oefenen van een bepaalde vaardigheid, feedback geven na elke oefenpoging de prestatie op zich optimaliseert maar geen goede resultaten geeft qua motorisch leren. Eveneens werd bij personen met het DS nog nooit eerder de verbale en de visuele instructievorm vergeleken.

 

Het doel van dit onderzoek is tweeledig. Ten eerste wordt nagegaan of de specifieke problemen die personen met het DS ondervinden bij het uitvoeren van een beweging te generaliseren zijn naar het motorisch leren. Ten tweede wordt de rol van verbale en visuele instructie nagegaan bij het aanleren, behouden en transfereren van een motorische vaardigheid bij personen met en zonder het DS.

 

De totale onderzoekspopulatie bestaat uit 28 personen en werd onderverdeeld in drie onderzoeksgroepen: 10 personen met het DS, 10 personen met een ongedifferentieerde ontwikkelingsstoornis (OOS) en 8 personen zonder stoornis (de controlegroep). Er was geen significant verschil in mentale leeftijd tussen de drie groepen.

 

De taak bestond eruit om de cursor op het computerscherm door middel van de muis zo vlug mogelijk een bepaald bewegingspatroon te laten volgen. Alle drie de onderzoeksgroepen werden in twee verdeeld, waarvan het ene deel een verbale instructie kreeg (opgenomen op band, dus voor iedereen perfect dezelfde instructie) en het andere deel een demonstratie kreeg op computerscherm (visuele instructie). Dit werd 3 maal 20 keer uitgevoerd (d.i. de eerste fase, namelijk het aanleren van het bewegingspatroon). Na een uur en na 24 uur kreeg iedereen nog eens 10 pogingen met dezelfde instructievorm en 10 pogingen met de andere instructievorm (d.i. de tweede fase, namelijk het behouden en transfereren na een bepaalde periode of het motorisch leren). Zowel de reactietijd (RT) als de bewegingstijd (BT) werden gemeten.

 

Tijdens de eerste fase zien we dat de RT van de personen zonder stoornis significant korter is dan de RT van de personen uit de andere twee groepen, ongeacht de instructievorm. De personen met het DS hebben een significant kortere RT dan de personen met een OOS wanneer er visuele instructies worden gegeven. Het omgekeerde zien we bij verbale instructies. Deze resultaten komen overeen met vroeger onderzoek in 1991. De resultaten met betrekking tot de BT in de eerste fase zijn analoog aan die van de RT. We zien wel een leereffect: de BT daalt naarmate het aantal pogingen stijgt.

 

Tijdens de tweede fase (nagaan of er motorisch leren optreedt) zien we geen verschil tussen verbale en visuele instructies voor wat betreft RT bij de personen met het DS. Hieruit kunnen we besluiten dat het probleem bij het uitvoeren van een motorische vaardigheid op basis van een verbale instructie zich niet heeft doorgezet naar het motorisch leren op vlak van RT. De personen zonder stoornis bleven wel nog steeds sneller dan de personen uit de twee andere groepen. Wanneer we de BT in beschouwing nemen, zien we dat de personen met het DS beter presteren na een visuele instructie. Dit valt vooral op na 24 uur. We zien dus een efficiŽntere manier van motorisch leren bij visuele instructies in vergelijking met het motorisch leren na verbale instructies. We zien eveneens dat de personen met DS en met OOS die tijdens de eerste fase visuele instructies kregen beter lukken in het uitvoeren van de vaardigheid aan de hand van de andere instructiemethode (hier de verbale), in vergelijking met diegenen die in de eerste fase verbale en in de tweede fase visuele instructies kregen.

 

De ideale manier om instructies te geven voor het uitvoeren van een beweging, is met andere woorden tijdens de aanleerfase de visuele manier. Personen met het DS zijn echter in staat om tot 24 uur na het aanleren, het bewegingspatroon op een zelfde prestatieniveau uit te voeren wanneer zij dan verbale instructies krijgen. Zij zijn dus in staat om de transfer van visuele naar verbale instructies te maken, zonder daarom minder goed te presteren.

†††††††††††††††††††††††

Vertaald en samengevat door: Frauke BRUYNOOGHE